Compassie

Compassie is altijd aanwezig. Je zou kunnen zeggen: lijden is een contrastvloeistof om compassie te kunnen zien. De aanwezigheid van lijden kan compassie zichtbaar maken. Het was er al, maar nog niet zichtbaar. Compassie is onvoorwaardelijk en vrij van dualiteit.

Gisteravond hadden we het over de twee werelden, over 'naar de overkant gaan'. We leven in een wereld van dualiteit (ik-jij, goed-slecht, geluk-lijden), maar er is ook die overkant, de kant van nondualiteit (noch dit - noch dat). Als we aan de overkant zijn, wil dat niet zeggen dat we de wereld van dualiteit verlaten hebben. Het is een beeldspraak, want die twee werelden zijn eigenlijk één. Compassie is nondualistisch, maar ontstaat in de wereld van dualiteit. Ook dualiteit en nondualiteit zijn één.

Als we een geliefde zien lijden, dan voelen we een behoefte om te helpen. Maar als die geliefde al erg lang lijdt en niet open lijkt te staan voor onze hulp, dan merken we soms dat onze behoefte om te helpen een grens heeft. Hoe zit dat dan met onze compassie, zou die niet onbegrensd moeten zijn?

Omdat de twee werelden één zijn, is er altijd een 'ik' aanwezig, terwijl compassie aanwezig is. Een 'ik' is een samenstelling van lichaam, gevoelens en gedachten, en wordt gemaakt door het deel van bewustzijn dat Manas genoemd wordt. Een 'ik' roept heel hard: ik besta, ik ben echt, dit is wat ik ben, en kiest altijd voor zichzelf. Het hebben van een ik is op zich geen probleem. Wat het lastig maakt is dat we erin geloven. We hebben hem nog niet voldoende onderzocht om hem te kunnen zien voor wat hij werkelijk is. Hij lijkt zo echt dat we niet kunnen zien dat het slechts een tijdelijke samenstelling is, iets wat komt en gaat. En dat we er niets mee hoeven te doen.

Als onze hulp een voorwaarde heeft (ik help je, maar dan moet je wel doen wat ik zeg) dan heeft 'ik' zich meester gemaakt van compassie. Hij bouwt een grens en zegt vervolgens: nu heb ik mijn grens bereikt. Het probleem zit niet in het bereiken van de grens, maar in het bouwen ervan. Want als je een grens bouwt, dan is al zeker dat je die gaat bereiken.

Het bereiken van de grens is het moment dat je kunt zeggen: hé, ik had blijkbaar een grens gebouwd, ik had blijkbaar voorwaarden gesteld. Dat is het moment dat je kunt zien dat compassie en 'ik' naast elkaar bestaan. Dat is het moment waarop je kunt onderzoeken welk deel compassie is en welk deel 'ik'.