Zelfbeeld

Toen ik klein was hoorde ik mijn ouders tegen andere mensen zeggen over mezelf: Zij is lief, zij is zo, zij is zus…. Dus dacht ik: zo ben ik. Zo verwachten mijn ouders dat ik ben. En in de loop der jaren werd het beeld dat ik van mezelf had “geconsolideerd”. Ik ging ook zelf nadenken over hoe ik wilde zijn en voorkomen in de ogen van anderen. Bovendien met mijn christelijke achtergrond werd ik ook geduwd in de richting van goed zijn. Je moest een goed mens zijn. Het feit dat Jezus voor ons aan het kruis was gestorven gaf me altijd een schuldgevoel. We waren geboren met een zonde. We waren niet rein. Alles wat je kon proberen was om een goed mens te worden om in het paradijs te mogen.

Maar wat kon ik doen als ik ineens boos werd, geïrriteerd, trots of jaloers? Dat mocht toch niet! Die gevoelens werden onderdrukt. Anders was ik niet lief en mijn ouders en familie zouden niet van mij houden. Zo dacht ik.

Terugkijkend naar mijn jeugd, zie ik hoe ik probeerde goed en slecht uit elkaar te halen. Hoe discriminerend we naar elkaar en naar onszelf keken. Zoveel pogingen doen om een leuk en aardig mens te worden en toch ondertussen die vervelende gevoelens. Hoe meer ik probeerde om vriendelijk te zijn, hoe meer ik geconfronteerd werd met mijn oordelen over mezelf en anderen. Want als ik lief en aardig was, was in mezelf ook de gedachte dat de ander niet lief en aardig was. Ik oordeelde. Ik vergeleek me met anderen. Ik voel me superieur (soms onbewust) omdat ik me beter voelde dan de ander. En soms voelde ik me slecht omdat ik me minder voelde dan de ander. En in feite was ik helemaal niet gelukkig.

Tijdens de yogaopleiding hoorde ik over Advaita (non-dualisme, afwezigheid van tweeheid) en later met Boeddhisme over non-discriminatie. Het is dus mogelijk om te leven zonder te discrimineren, zonder scheiding tussen goed en slecht, mooi en lelijk, donker en licht, subject en object, lichaam en geest, mij en de ander, micro- en macrokosmos.

Recent heeft Cuong nog tegen ons gezegd: Hoe meer je probeert een goed mens te worden, hoe meer je je slechte kanten mee laat groeien. Water geven aan de goede zaden is onbewust water geven aan de slechte zaden. Hoe kan dat? Het komt door de discriminatie. Water willen geven aan de goede zaden wil zeggen dat je de slechte zaden wil laten uitdrogen en vermoorden. Dat is per definitie gewelddadig, heel subtiel maar toch gewelddadig. Je maakt een scheiding tussen wat je denkt goed te zijn en wat je denkt slecht te zijn. Waar twee is, is conflict. Wat de Boeddha ons leert is dat niets permanent blijft. Er kan niets eeuwig goed of slecht blijven. Er is geen permanente kern in de wereld van de vorm. Als we lang genoeg wachten zien we alles veranderen. Soms gaat het snel en soms langzaam maar de verandering zal zeker gebeuren.

Met onze denken hebben we geleerd om dingen te onderscheiden van elkaar. Maar dat is niet compleet als we niet ook tegelijkertijd kunnen zien dat wat we noemen en onderscheiden een tijdelijke vorm, gedachte of gevoel is die geen permanente kern heeft. Toegepast in het dagelijkse leven helpt deze zienswijze je om door de dingen heen te kijken. Als je naar je geliefde kijkt zie je ook zijn tijdelijkheid, hij/zij is onmogelijk altijd dezelfde. Gisteren was hij/zij anders dan vandaag. En de woorden “nooit” en “altijd” verliezen hun kracht. Want soms zeg je: “Met jou is het altijd hetzelfde, je zal nooit veranderen”. Met de inzichten van de Boeddha zeg je dat niet zo snel meer.

Om terug te keren naar het zelfbeeld. Als we vastzitten aan een zelfbeeld gaan we verbitteren. Of we het willen of niet, gaan we toch veranderen. We kunnen niet eeuwig lief en aardig zijn. Soms zijn we boos en verdrietig. En het is oké. Het is volledig oké om van alle soorten gevoelens te hebben. Het gaat om het te zien zonder discriminatie. Dat is “niets doen”: we kijken naar de gevoelens, de gedachten, de vormen. We zien: er is boosheid, er is jaloezie, er is trots…. En we doen er niets mee. We oordelen onszelf niet. En vanuit deze houding zien we boosheid en jaloezie vanzelf een andere vorm aannemen. Dat fenomeen te observeren geeft rust. Je ziet dat je die gevoelens niet bent. Ook als je vriendelijke en aardige gedachten hebt. Je weet dat het tijdelijk is. Je probeert geen van de extremen vast te houden of af te keuren. Liefde en haat zijn gelijkwaardige gevoelens. We zijn noch goed, noch slecht. We zijn levende wezens maar zonder een permanente kern. Het beste zelfbeeld dat we kunnen hebben is geen beeld van onszelf! Een zelfbeeld beperkt je tot een idee en een concept. Een zelfbeeld is gevaarlijk omdat je gaat je superieur of inferieur voelen. Het brengt oorloog in jezelf en om je heen. Je denkt: ik ben goed en de ander is slecht. Of anders om: ik ben slecht en de ander is goed. Dat is niet de werkelijkheid. We zijn niet te omschrijven, zegt Cuong. Soms probeert hij ons te vertellen wat we zijn en hij zegt: we zijn een wonderlijke manifestatie van het leven. We zijn veel meer dan we denken. En dan zeg ik: we zijn niet wat we denken te zijn. Een zelfbeeld is een creatie van onze ego! We zijn noch dit, noch dat.