We leven in een (gouden) kooi

We praten over vrijheid, we willen vrijheid maar we zijn helemaal niet vrij!

Cuong vertelde ons dat zijn familie twee papegaaien had. Ze leefden in een opgehangen kooi. Om de kooi schoon te maken moesten ze de boden weghalen. Een keer was de bodem niet goed teruggezet en viel ’s nachts op de grond. De kooi was ineens van onder open. De volgende dag was een van de papegaai weg via de open raam en de andere was gewoon binnen gebleven dichtbij zijn voerbakje. Dat vond Cuong heel vreemd! De kooi was open en de papegaai bleef binnen! Hij pakt zijn kans niet om vrij te zijn.

In feite doen wij dat ook. We zijn gevangen in een kooi die we zelf hebben gemaakt. De deur is open maar we vliegen niet weg. We zijn gehecht aan ons gevoel van veiligheid, aan onze ideeën en aan onze identiteit. Ons bewustzijn houdt ons in gevangenschap. We weten niet dat we vrij kunnen zijn. Niemand heeft het ons verteld. De enige oorzaak van lijden, zei de Boeddha, is onwetendheid. We hebben wat onze ouders en de vorige generatie tegen ons zeiden geloofd. We hebben onze docenten en de maatschappij geloofd en gehoorzaamd. En omdat ze ook in onwetendheid leven of leefden, konden ze ons niet helpen. Alleen iemand die vrij is, die uit de kooi is gestapt kan ons helpen.

Zonder het te weten, houden we ons lijden in stand. Als we geluk hebben, hebben we een gouden kooi voor onszelf gemaakt waar mooie dingen in hangen, die comfortabel is en we denken dat dat het leven is. Dat is het. We hebben genoeg van alles, we zijn goede rustige mensen en leven een gelukkig leventje zolang de omstandigheden goed zijn. Af en toe komt het lijden langs maar we proberen die zo snel mogelijk weg te jagen. Soms door een andere kooi te gaan zoeken of heel druk bezig te zijn. En we blijven 70, 80 jaar in een mooie kooi totdat de dood ons komt ophalen. Soms is de kooi helemaal niet comfortabel en ervaren we er veel pijn en lijden in. We geven de schuld van ons lijden aan de maatschappij, onze ouders, onze relatie, ect… maar vrij zijn we niet en we lijden vaak zonder het te merken.

De enige die ons in de kooi houdt is ons bewustzijn, met alle concepten, waarheden en keuzes die we ooit bewaard hebben. Boeddha beschreef zes bewustzijnsvormen: oog-, oor-, neus-, tong-, lichaam-, en geest- of denkbewustzijn. Vasubandhu, een grote leraar van de 4de eeuw, heeft er twee toegevoegd: de Manas en Alaya Vijñana. Manas zorgt voor een identiteit, een ‘ik’ die de functie heeft om ons te beschermen. De manas zit tussen de ‘buitenwereld’ en de ‘binnenwereld’ en checkt constant alle informatie die via de zintuigen oog-, oor-, lichaam-… binnenkomt.

Eigenlijk creëert manas een grens. Hij maakt een scheiding. Het is net als een grote kamer met een kamerscherm. Het geeft de illusie dat er twee kamers zijn maar in feite is het maar een kamer. Manas is het kamerscherm en bouwt de kooi om ons heen waar wij ons veilig kunnen voelen en selecteert wat goed is en vermijdt wat slecht voor ons is. Omdat de illusie van een identiteit wordt gevormd door hechting en afkeer, door onze ideeën en karaktertrekjes en dat we bovendien de illusie hebben dat we een persoonlijk lichaam hebben, geloven we steeds meer dat we afzonderlijke wezens zijn. Deze illusie maakt dat de angst voor ziektes en voor de dood ontstaat. Want als we denken dat we iets hebben te beschermen, kunnen we niet aan het idee wennen dat het niet eeuwig blijft.

Alle ervaringen van vorige generaties en van ons eigen leven worden als "zaden" opgeslagen in Alaya Vijñana, in goed Nederlands het bewaarbewustzijn. Er zijn miljoenen zaden in Alaya Vijñana. Die zijn individueel en collectief tegelijkertijd. Manas is dol op Alaya Vijñana, want het is zijn referentie. Hij heeft Alaya Vijñana nodig om te kunnen functioneren. Hij haalt informatie uit Alaya Vijñana en bepaalt of het voor ons een gevaar vormt of niet. Eigenlijk bepaalt hij of het een gevaar vormt voor de identiteit die hij heeft zelf gemaakt! Zo zitten we gevangen in de kooi want als we alleen de helft van het leven willen ervaren, alleen wat aangenaam is, leuk is, mooi is, goed is, zullen we nooit de vrijheid vinden die ons geboorterecht is.

Wat de Boeddha en Cuong en alle mensen die een doorbraak hebben gemaakt ons willen vertellen is dat ons bewustzijn niet de werkelijkheid is. Ze hebben een doorbraak door het bewustzijn gemaakt en gezien dat het een illusie is. Praktisch toegepast betekent het dat we alles wat zich op het niveau van bewustzijn afspeelt goed moeten begrijpen om er vrij van te zijn. Als je boos bent, is het een reactie van je bewustzijn op pijn of lijden. Omdat je gevormde identiteit aangetast wordt en zich bedreigd voelt. Als je weet dat die identiteit in feite een illusie is, hoef je niets te doen met die boosheid. Als je je ermee gaat bemoeien zit je nog steeds gevangen in je bewustzijn. Je wilt de boosheid kalmeren, omarmen, je wilt eigenlijk dat het weggaat. Je wilt iets met de boosheid doen vanuit je bewustzijn. En de boosheid blijft langer omdat je niet in de gaten hebt dat jij het in stand houdt! Het blijft bewustzijn! Als je niets doet (wat door Cuong altijd aanbevolen wordt!), gaat de boosheid vanzelf weg. Niets is permanent, boosheid ook niet. Daarom zegt Cuong dat je midden in de boosheid de rust kan vinden. En dat is het ware geluk. Een geluk dat op niets berust, niet op het bewustzijn en niet op de objecten die door het bewustzijn gecreëerd worden. Alaya Vijñana als grond van alle dharma’s (alles wat we kunnen waarnemen, objecten van onze waarnemingen) is niet bedekt, noch goed, noch slecht. Hij bewaart alles maar is niet gehecht. Manas is gehecht aan de waarheden en aan de zaden. In het leven is er geen scheiding, alles vloeit door elkaar heen in constante verandering.

In het Boeddhisme wordt vaak over leegte gesproken: dat is de afwezigheid van een identiteit. Het is een afwezigheid van dualiteit. Zodra er een identiteit is, is er scheiding en dualisme. In werkelijkheid is er geen twee. Er is alleen maar het ene. Wat in het leven is, is noch goed noch slecht. Het bewustzijn is noch goed, noch slecht, maar we kunnen er niet op rusten. Manas is ook noch goed, noch slecht maar manas is bedekt. Hij discrimineert in goed en slecht door onwetendheid. We denken dat de oorzaak van geluk heel anders is dan de oorzaak van lijden maar geluk dat je vasthoudt wordt ook lijden.
Vijñana is Jñana maar met discriminatie want Vi betekent twee, delen, onderscheiden. Jñana, de wijsheid, het inzicht heeft te maken met onthechting van de waarheden.